Index
Pagina 1 (enkel uit het Frans)
- Sonnet X (Ce n'est le fleuve Thusque) uit Les Regrets (Du Bellay)
- Enkele epigrammen uit Les Gayetez (Ronsard)
- A une Damoyselle malade / Aan een zieke jongedame (Marot)
- J'aime le carillon / Ik hou van de beiaard (Hugo)
- Le déserteur / De deserteur (Vian)
Pagina 2 (enkel uit het Engels)
- Sonnet: Whoso list to hunt / Voor wie jagen wil (Wyatt)
- The Song of Hiawatha / Hiawadha's lied (Longfellow) (fragment)
Pagina 3 (enkel uit het Latijn)
Pagina 4 (overige)
- Tief in den Himmel verklingt / Diep in de hemel weerklingt (Huch)
- Kalevala (fragment)
- Die Trichter / De trechters (Morgenstern)
Stabat Mater
(anoniem, middeleeuws)
Stabat Mater dolorosa
Juxta Crucem lacrimosa,
Dum pendebat Filius.
Cujus animam gementem,
Contristatam et dolentem,
Pertransivit gladius.
O quam tristis et afflicta
Fuit illa benedicta
Mater Unigeniti!
Quæ mærebat, et dolebat,
Pia Mater, dum videbat
Nati pœnas incliti.
Quis est homo, qui non fleret,
Matrem Christi si videret
In tanto supplicio?
Quis non posset contristari,
Christi Matrem contemplari
Dolentem cum Filio?
Pro peccatis suæ gentis
Vidit Jesum in tormentis,
Et flagellis subditum.
Vidit suum dulcem natum
Moriendo desolatum,
Dum emisit spiritum.
Eja, Mater, fons amoris,
Me sentire vim doloris
Fac, ut tecum lugeam.
Fac, ut ardeat cor meum
In amando Christum Deum,
Ut sibi complaceam.
Sancta Mater, istud agas,
Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide.
Tui nati vulnerati,
Tam dignati pro me pati,
Pœnas mecum divide.
Fac me tecum pie flere,
Crucifixo condolere,
Donec ego vixero.
Juxta Crucem tecum stare,
Et me tibi sociare
In planctu desidero.
Virgo virginum præclara,
Mihi jam non sis amara:
Fac me tecum plangere.
Fac, ut portem Christi mortem,
Passionis fac consortem,
Et plagas recolere.
Fac me plagis vulnerari,
Fac me Cruce inebriari
Et cruore Filii.
Flammis ne urar succensus,
Per te, Virgo, sim defensus
In die judicii.
Christe, cum sint hinc exire,
Da per Matrem me venire
Ad palmam victoriæ.
Quando corpus morietur,
Fac, ut animæ donetur
Paradisi gloria. Amen.
|
Naast het Kruis
(vert. Karel Vissers)
Naast het kruis stond de ontdane
Moeder heel en al in tranen
bij haar Zoon, met leed omkleed,
toen, doorheen haar hart, dat klagend,
even zware smart moest dragen,
wreed het zwaard der droefheid sneed.
O! Hoe triest, terneergeslagen
stond die Zalige te klagen,
Moeder van de Mensenzoon,
zij die waarlijk leed en rouwde,
trouwe Moeder, toen z' aanschouwde:
haar Zoon, zo ten prooi aan hoon!
Wie 's degene met zo'n stenen
hart dat om de smart niet wenen
moet, als Christus' Moeder treurt?
Wie kan geen erbarmen tonen
bij 't zien van de arme, vrome
Moeder, door zo'n pijn verscheurt?
Om de zonden van de zijnen
zag zij Jezus zo in pijnen
bij die wrede geseling,
zag haar lieve Zoon zo lijden,
heel alleen zijn doodsstrijd strijden
totdat ook Hij henenging.
Geeft, o Moeder, Bron van Liefde,
dat ik voel' wat U doorgriefde
en tezamen met U klaag' ;
dat mijn hart ontbrand' vanbinnen
door de Christus te beminnen,
opdat ik zo Hem behaag' .
Maagd en Moeder, grift de wonden
die uw Zoon, aan 't kruis gebonden
ondervond, diep in mijn hart;
alle wonden die Hem schonden,
die Hij doorstond om mijn zonden:
laat mij delen in die smart.
'k Wil, met d' ogen neergeslagen,
al mijn dagen met U klagen
bij het kruis van die Godmens.
Omdat ik met U begaan ben
dorst ik naast het kruis te staan en
mee te klagen is mijn wens.
Maagd, der Maagden uitverkoren,
wilt mijn bede toch verhoren:
dat ik met U tranen pleng' !
Laat mij Christus' doodsstrijd strijden
en 't lot van zijn leed belijden;
dat ik Hem zo hulde breng' !
Wilt mij in Zijn wonden hullen,
mij gans van het kruis vervullen,
mij bedwelmen door Zijn bloed.
Laat het vuur mij niet verteren,
wees mijn voorspraak, Maagd, wanneer men
mij voor 't Oordeel komen doet.
Christus, laat ook ik het leven,
laat uw Moeder mij dan geven,
als het kan, de zegeprijs.
Als mijn lichaam komt te sterven,
laat mijn ziel dan toch verwerven:
glorie in het Paradijs. Amen.
|
Terug naar boven
|
Dies irae
(Anoniem)
Dies irae, dies illa
solvet saeclum in favilla,
teste David cum Sybilla.
Quantus tremor est futurus,
quando judex est venturus,
cuncta stricte discussurus.
Tuba mirum spargens sonum
per sepulchra regionum,
coget omnes ante thronum.
Mors stupebit et natura,
cum resurget creatura,
judicanti responsura.
Liber scriptus proferetur,
in quo totum continetur,
unde mundus judicetur.
Judex ergo cum sedebit,
quidquid latet apparebit,
nil inultum remanebit.
Quid sum miser tunc dicturus?
Quem patronum rogaturus,
cum vix justus sit securus?
Rex tremendae majestatis,
qui salvandos salvas gratis,
salva me, fons pietatis.
Recordare Jesu pie,
quod sum causa tuae viae,
ne me perdas illa die.
Quaerens me sedisti lassus,
redemisti crucem passus,
tantus labor non sit cassus.
Juste judex ultionis,
donum fac remissionis
ante diem rationis.
Ingemisco tanquam reus,
culpa rubet vultus meus,
supplicanti parce, Deus.
Qui Mariam absolvisti,
et latronem exaudisti,
mihi quoque spem dedisti.
Preces meae non sunt dignae,
sed tu, bonus, fac benigne,
ne perenni cremer igne.
Inter oves locum praesta,
et ab hoedis me sequestra,
statuens in parte dextra.
Confutatis maledictis,
flammis acribus addictis,
voca me cum benedictis.
Oro supplex et acclinis,
cor contritum quasi cinis,
gere curam mei finis.
Lacrimosa dies illa,
qua resurget ex favilla
judicandus homo reus -
Huic ergo parce, Deus.
Pie Jesu Domine,
dona eis requiem.
Amen.
|
Dies irae
(vert. Guido Gezelle)
Kwade dag, die al de dagen
eens lijk asschen weg zult vagen,
zoo ‘t Sibille en David zagen!
Welk een gruwel ‘n zal ‘t niet wezen
als de Rechter, opgerezen,
‘t goê zal uit het kwade lezen!
Wondere trompetrumoeren
zullen al de graven roeren,
al die dood zijn throonwaards voeren.
Stom zal staan de Dood en ‘t Leven,
als de dooden antwoord geven,
staan, en voor den Rechter beven.
‘t Zal een boek te voorschijn komen
waarin ‘t al staat opgenomen
dat het oordeel Gods moet schromen,
als de Rechter, neêrgezeten,
al ‘t verdoken kwaad zal weten,
straffen ende niets vergeten.
Wie zal dan toch mijn verweer zijn,
wat mijn voorsprake en begeer zijn,
als de goeden zelf verveerd zijn?
Koning, schrikbaar en grootmachtig,
bron van goedheid, nederslachtig
bid ik u, weest mij indachtig!
JESU, wil toch wel gedenken:
als gij mij kwaamt ‘t leven schenken,
was ‘t om me op dien dag te krenken?
JESU, moê van zoeken naar mij
hebt ge ‘t kruis geleên, en daar mij
eens zoo dier gekocht: ach spaar mij!
Schoon ‘t uw recht zij van te wreken,
wilt mij vrij van zonden spreken
eer die dag komt aan te breken!
‘k Zuchte als een ter dood verwezen,
maar mijn schaamrood schuldig wezen
hoopt op uw bermhertig wezen;
Wierd Maria ‘t eeuwig leven,
wierd den moordenaar hoop gegeven,
hopen durve ik ook, en beven.
Heere, onweerdig is mijn bede;
doch, laat me, uit goedjonstigheden,
vrij van ‘t vier der eeuwigheden!
Laat mij bij uw schaapkes weiden,
wilt mij van de bokken scheiden
en ter rechter hand geleiden.
Moet gij dan vermalediden
en het eeuwig vier doen lijden
roept tot mij: "Gebenediden!"
Want ik komme al jammerklagen,
‘t herte als asschen rouw geslagen,
hulpe in mijnen doodstrijd vragen.
Dag van weedom en van boeten,
als gij zult verrijzen moeten
en gerecht zijn om uw' zonden,
mensch, God spare u in die stonden!
Zoete Heere JESU mijn,
laat ze in ruste en vrede zijn,
in alle eeuwen!
Amen.
|
Terug naar boven
Ode I, 38
(Horatius)
Persicos odi, puer, apparatus,
displicent nexae philyra coronae,
mitte sectari, rosa quo locorum
sera moretur.
Simplici myrto nihil allabores
sedulus curo: neque te ministrum
dedecet myrtus neque me sub arta
vite bibentem.
|
Ode I, 38
(vert. Karel Vissers)
Jongen, 'k hou niet van dat Oosterse ornaat,
weet dat ik kransen, kunstig geknoopt, verfoei,
zoek toch niet langer naar waar nog een roos staat
zo laat nog in bloei.
Een simpele mirtetak kan toch volstaan
zowel bij jou past een mirtekrans, mijn slaaf,
als bij mij, nu ik onder de wijnrank sta
en er mijn dorst laaf.
|
Terug naar boven
© voor meer info: contacteer de beheerder
|
|