Index Pagina 1 (enkel uit het Frans) Pagina 2 (enkel uit het Engels) Pagina 3 (enkel uit het Latijn)
Pagina 4 (overige)
| Tief in den Himmel verklingt (Ricarda Huch) Tief in den Himmel verklingt Traurig der letzte Stern, Noch eine Nachtigal singt Fern - fern. Geh schlafen, mein Herz, es ist Zeit. Kühl weht die Ewigkeit. Matt im Schoß liegt die Hand, Einst so tapfer am Schwert. War, wofür du entbrannt, Kampfes wert? Geh schlafen, mein Herz, es ist Zeit. Kühl weht die Ewigkeit. |
Diep in de hemel weerklingt (vert. uit het Duits: Karel Vissers) Diep in de hemel weerklingt Droevig de laatste ster, Nog één nachtegaal zingt Ver - ver. Ga slapen, mijn hart, het is tijd. Koel waait de eeuwigheid. Dof op schoot ligt de hand, eens zo dapper met 't zwaard Was, wat jou zo had ontbrand, De strijd wel waard? Ga slapen, mijn hart, het is tijd. Koel waait de eeuwigheid. |
| Kalevala (fragment) (opgetekend door Elias Lönnrot) Mieleni minun tekevi, aivoni ajattelevi lähteäni laulamahan, saa'ani sanelemahan, sukuvirttä suoltamahan, lajivirttä laulamahan. Sanat suussani sulavat, puhe'et putoelevat, kielelleni kerkiävät, hampahilleni hajoovat. Veli kulta, veikkoseni, kaunis kasvinkumppalini! Lähe nyt kanssa laulamahan, saa kera sanelemahan yhtehen yhyttyämme, kahta'alta käytyämme! Harvoin yhtehen yhymme, saamme toinen toisihimme näillä raukoilla rajoilla, poloisilla Pohjan mailla. yökämme käsi kätehen, sormet sormien lomahan, lauloaksemme hyviä, parahia pannaksemme, kuulla noien kultaisien, tietä mielitehtoisien, nuorisossa nousevassa, kansassa kasuavassa: noita saamia sanoja, virsiä virittämiä vyöltä vanhan Väinämöisen, alta ahjon Ilmarisen, päästä kalvan Kaukomielen, Joukahaisen jousen tiestä, Pohjan peltojen periltä, Kalevalan kankahilta. |
Kalevala (fragment) (vert. uit het Fins: Karel Vissers) Ik word door een wens bewogen, door de drift van mijn gedachten, om de zang nu in te zetten, om een voordracht aan te vangen, om verhalen te vertellen, oude zangen in te zetten. In mijn mond versmelten woorden, zinnen vallen mij te binnen, flitsen fluks over mijn tong heen, willen weg tussen mijn tanden. Beste vrind, beminde broeder, die met mij mee opgegroeid bent! Kom, en zing met mij de zangen, vergezel me bij de voordracht nu we eind'lijk bij elkaar zijn, saamgestroomd uit verre streken! Weinig komen wij tesamen, zelden zien wij hier elkander, in de uitgestrekte streken, Noordlands arme, schrale akkers. Laten wij nu handen geven, onze vingers zich vervlechten, laat ons allen vrolijk zingen, laat ons beiden goed ons best doen, opdat onze naasten 't horen, onze dierb'ren wijzer worden, voor de jeugd, die jonge mensen, dit moet men van kindsbeen kennen: sinds reeds lang bewaarde spreuken, oude lied'ren en legenden van de riem van Väinämöinen, over Ilmarinens smidse, en het zwaard van Kaukomielen, of de boog van Joukahainen, over Noordlands weidse akkers, Kalevala's verre velden. |
| Die Trichter (Christian O. J. W. Morgenstern) Zwei Trichter wandeln durch die Nacht. Durch ihres Rumpfs verengten Schacht fließt weißes Mondlicht still und heiter auf ihren Waldweg u. s. w. |
De trechters (vert. uit het Duits: Karel Vissers) Twee trechters wandelden bij nacht, 't maanlicht glipte door hun schacht bleek en stil en ongestoord over het bospad enz. ... |
© voor meer info: contacteer de beheerder
